agent

De agent met een missie

De agent met een missie

Ivar Soerka (53) werkt jarenlang als verpleegkundige totdat hij merkt dat hij niet meer gedijt in een ziekenhuisomgeving. Hij verruilt zijn witte uniform voor een blauwe en start een leer/werktraject. “Het was wel een flinke overgang hoor. Ik had jaren niet meer in de schoolbanken gezeten.”

‘Een dansende politieagent tijdens Koningsdag is een hit op internet en is van Antilliaanse komaf’, staat in een Curaçaose knipselkrant uit 2017. De dansende diender blijkt Ivar Soerka te zijn, geboren en getogen op Curaçao. De vrolijke politieagent doceert aan de School voor Politiekunde. Hij vertelt aanstekelijk over zijn werk. “Ze zeggen wel eens: de humor ligt op straat. Nou, dat is ook echt zo.” Ivar grijst. Die big smile verdwijnt gedurende het interview niet meer van zijn gezicht. Maar onder die lach schuilt ook nog wat anders. Iets wat cruciaal is om een carrièreswitch van verpleegkundige naar agent te laten slagen: drive en doorzettingsvermogen.

Of hij eigenlijk een droombaan had als jongetje. “Welk klein jongetje droomt er niet van om brandweerman te worden, piloot of politieman? Maar ik moest een bril gaan dragen, piloot was daarmee afgeschreven. Eerlijk gezegd wilde ik tolk worden. Ik spreek naast Nederlands natuurlijk, Papiamento, Engels, Spaans en Duits.” Zijn beroepskeuze neemt een onverwachte wending als hij een voorlichtingsbijeenkomst bijwoont van een verpleegkundige. “Ik dacht: dit lijkt me wel wat. Dat zorgzame zit wel in mij. Ik solliciteerde en was aangenomen voordat ik mijn diploma had gehaald.”

Openbaring
In een Utrechts ziekenhuis begint de jonge Ivar in de praktijk. Hij maakt een steile leercurve door en noemt het een ‘bijzondere tijd’. “Jeetje, ik ben opgegroeid in een nogal preutse gemeenschap. En ik had ineens te maken met blote mensen en allemaal mensen die hun sores met me deelden. Ik was dat niet gewend. Van huis uit was het ‘je hangt de vuile was niet buiten’. Mensen waren heel open en vertelden dingen. Ik dacht: oh, wat gebeurt er nou met mij? Als 18-jarige mannetje was ik he-le-maal niets gewend. Het was een openbaring. Ik werd er heel snel volwassen van.”

Ivar vertelt dat zijn moeder overlijdt als hij pas 14 jaar oud is. Hij verhuist op z’n 16e naar Nederland en trekt in bij zijn tante. Dat maakt hem op jonge leeftijd al ‘redelijk volwassen’, wat hem van pas komt in de zorg. “Je hebt te maken met ziekten, met de dood. Het was wel heftig, maar ook héél erg leerzaam.” Hij specialiseert zich als IC-verpleegkundige.

Onrust
In de loop der jaren merkt Ivar een bepaalde onrust. Hij switcht een paar keer van baan. “Aan elk ziekenhuis mankeerde wel wat. En ik dacht elke keer: hier wil ik niet aan meewerken en hup, ik wisselde naar een ander ziekenhuis. Op een gegeven moment dacht ik: wacht eens even, het ligt helemaal niet aan het ziekenhuis. Het ligt aan mij. Ik vond het gewoon niets meer.”

Daar moest je je eerst bewust van worden. “Precies, en die bewustwording kwam na een gesprek met een collega, die zei heel eerlijk tegen mij: vind jij dit eigenlijk wel leuk? Het heeft me weken beziggehouden: ben ik hier eigenlijk wel op m’n plek? Ik werd gezien als een recalcitrante broeder, terwijl ik gewoon kritische vragen stelde. Ik voelde me niet meer op mijn plek. Dus ik dacht: ik moet wat anders, maar wat wil ik? En hoe moet dat nou? Want ik had een gezin, een woning. Er moest gewoon geld verdiend worden.”

‘Hoe moet dat nou? Ik had een gezin, een woning’

agent

Rechtvaardigheidsgevoel
“Ik kan me nog herinneren, dat toen ik in de zusterflat woonde, daar ook allemaal politieagenten woonden. Daar had ik wel eens meegesproken en later dacht ik: ah, misschien is dat ook wel wat voor mij. Want ik heb een groot rechtvaardigheidsgevoel. Maar goed, het ebde ook weer weg. Ik bleef maar denken: wat zal ik gaan doen?”

Die pet past ons allemaal
Tijdens een nachtdienst slaat Ivar de krant open en zijn oog valt op een paginagrote advertentie van een politieman met de slogan ‘Die pet past ons allemaal’. Hij trekt de stoute schoenen aan en solliciteert. Een half jaar later – er gaat een lange selectieprocedure aan vooraf – start Ivar na 13 jaar werken in de zorg met de politieopleiding. Hij ervaart het als een ‘hele verademing’. “Welke verwachtingen ik had? Niet zo heel veel. Ik ga altijd met een open mind in dingen. Laat maar komen, ik zie wel wat er komt, dacht ik. De eerste tijd zit je alleen maar op school. Daarna heb je een hele korte stage en toen wist ik het: dit is het voor mij!”

De puzzelstukjes vielen op hun plek. “Alles viel op z’n plek. De spanning is mooi. Maar ook de mensen helpen. Iets betekenen voor iemand die in nood zit bijvoorbeeld. Je bent altijd een steun voor degene die de minder leuke dingen meemaakt. Ik had echt zoiets van: dit is mijn ding. Ik voelde me gelijk thuis!”

Andere wereld
“Ik moet wel zeggen: het was een flinke overgang hoor. Ik had jaren niet meer in de schoolbanken gezeten.” Ivar moet niet alleen wennen aan het dagonderwijs. Ook zijn medestudenten zijn jaren jonger. “De jongste was 18 en ik de oudste (30). Bovendien had ik een gezin en ging gewoon naar huis. Zij zaten intern. Dan kwam ik na het weekend op school en hadden ze het er alleen maar over hoe fantastisch het was dat ze op stap waren geweest en ik zei: nou, mijn jongste is net zindelijk geworden.”

“Het was een hele andere wereld. Daarbij kwam dat ik er heel erg op achteruit ging in salaris. Ik werkte elk weekend via een uitzendbureau in de verpleging om bij te verdienen.” Ivar werkt zich zeven dagen in de week een slag in de rondte. Op zondagavond is hij thuis bij zijn gezin.

Jeetje, dat lijkt me pittig zeg. Dat is toch haast niet vol te houden. “Nee, nou ja, ik had zoiets van: dit is het. Ik heb ervoor gekozen die overstap te maken. Ik heb er goed over nagedacht en wist van tevoren wat het salaris zou zijn. Ik had toen ook kunnen kiezen om het niet te doen, maar het was gewoon veel beter voor mij.” ‘Recalcitrant en obstinaat’ noemt hij zichzelf als hij schetst hoe hij meer salaris regelt voor z’n hele klas als er een regeling wordt ingevoerd, waarbij zijn instroomjaar in eerste instantie achter het net vist. Daardoor hoeft hij geen dubbele diensten meer te draaien en zet hij een definitieve streep onder de verpleging.

Ook als Ivar als groentje van de opleiding komt, gaat hij recht op zijn doel af. “In het introductiegesprek met mijn chef zei ik: dit wordt niet mijn eindrang. Toen moest hij lachen en vroeg: hoezo? Nou, ik denk dat ik de eerste korpschef met Antilliaanse roots word in Nederland. Je kan er wel om lachen, maar ik ben nog jong.”

‘Ik word de eerste korpschef in Nederland met Antilliaanse roots’

Binnen enkele jaren stroomt Ivar van hoofdagent door naar brigadier. “Ik heb keihard gewerkt en laten zien: dit is wat ik wil. Sommige mensen doen daar 10, 20 jaar over. Je moet risico’s nemen en dingen durven doen. Laten zien wat je kan. Gaat het mis? Jammer joh, dan heb ik het wel geprobeerd!”

Geen hbo-diploma
“Op een gegeven moment wilde ik meer. Ik ben politiestudenten gaan begeleiden. Ik vond het superleuk om aan de wieg te staan van nieuwe politieagenten, dus ik wilde wel docent worden op de Politieacademie.” Ivar komt van de koude kermis thuis, want voor deze rol heeft hij een hbo-papiertje nodig. “Nou prima, dan zie ik jullie over 4 à 5 jaar. Huh, zeiden ze daar.” Binnen 5 jaar heeft hij z’n diploma voor Toegepaste Psychologie op zak en wordt hij alsnog aangenomen als docent.

“Moet je luisteren, ik stel doelen in mijn leven. En om een einddoel te behalen, heb ik allemaal tussendoelen nodig. Ik ben niet ‘Klein Duimpje en de zevenmijlslaarzen’. Als ze bij mij bij wijze van spreken nu korpschef zouden maken, dan ben ik daar nog niet klaar voor. Daar heb ik meer ervaring voor nodig. Dus kleine stapjes.”

Je moet in beweging blijven, is jouw credo. “Ja, ik geloof in de uitspraak ‘stilstand is achteruitgang’. Dus je moet ervoor gaan. En soms moet je ongewild op tenen trappen of soms ook gewild. Dan zeg ik: ja sorry, ik kon even niet anders.”

Haha, dit doet mij denken aan een tip van een manager ooit: beter achteraf vergiffenis vragen dan vooraf toestemming. Je moet voor jezelf opkomen. “Daar ontbreekt het mij niet aan”, lacht Ivar. “Ik zie het heel erg om me heen dat mensen de overstap niet durven te maken. Ze vinden het niet leuk en klagen alleen maar. Ik zeg altijd: ze drinken elke ochtend een glaasje azijn. Maar ze durven niet de stap te maken en te zeggen: dit is niet mijn ding. En ik denk elke keer: dat gaat mij niet gebeuren!”

“Ik merkte namelijk zelf in de laatste periode in de verpleging hoeveel invloed dat had op mijn humeur, welbevinden en stressniveau. Ik was kort van stof tegen iedereen en ging met pijn in m’n buik naar het werk. En weet je, ik dacht: dit wil ik nóóit meer! Op het moment dat het me niet bevalt, denk ik: weg!”

Homer Simpsons syndroom
Ivar stimuleert ook zijn studenten hun eigen koers te varen. Hij noemt dat gekscherend het ‘Homer Simpsons syndroom’. De kwinkslag duidt op de befaamde tekenfilmicoon Homer, die het stereotype werknemer vertegenwoordigt en dag in dag uit met tegenzin naar zijn werk gaat. “Ik zeg altijd tegen mijn studenten: laat jou dat niet gebeuren. Op het moment dat jij denkt van oké, ik ben toe aan iets anders en mensen zeggen: nee joh, dat moet je nog lang niet doen … laat het je niet vertellen! Niemand kan voor jou bepalen of je eraan toe bent of niet. Je moet altijd laten zien dat jij een aanwinst bent. Je moet altijd vertellen: joh, dit kom ik brengen!”

Als je het opnieuw zou doen, hoe ziet jouw loopbaan er dan uit? “Alles wat ik gedaan heb, heeft mij weer verder gebracht. Al mijn ervaring in de gezondheidszorg loopt niet weg, die gebruik ik nu nog steeds. Al mijn ervaring die ik op straat heb opgedaan, gebruik ik tijdens mijn lessen. Mijn psychologie-opleiding heeft mij geholpen om te snappen hoe ik mijn studenten onbewust kan laten leren. Ik heb van alles verzameld in de loop der jaren. En ik had het echt niet anders willen doen.”

Beter, sterker, slimmer
Hij mijmert even en denkt terug aan zijn tijd op de lagere school, waarin een juf een allesbepalende factor heeft gespeeld in zijn hang naar persoonlijke groei. “Ik wilde niet meer leren: laat maar zitten, het brengt mij toch niets. Toen kreeg ik een invaljuf en zij gaf zó ontzettend leuk les. Zij bracht mij zo ver om mij te laten zien dat leren ook echt heel leuk kan zijn. Sindsdien heb ik dat vastgehouden. Ik ben iemand die nooit heel erg lang stil zit. Leren, daar word je alleen maar beter van. En sterker. En slimmer.”

“Ik heb heel veel tegenslagen gehad in de dingen die ik wilde. Ja, maar jij krijgt kansen vanwege diversiteit omdat je allochtoon bent, hoor ik regelmatig. Ik zeg dan: nee, ik krijg kansen, omdat ik ze pak!” #watisjouwverhaal

[Foto: Unsplash]


onderwijsondersteuner

Onderwijsassistent verzilvert kansen

Onderwijsassistent verzilvert kansen

Paula van As (29) komt na haar opleiding voor Onderwijsassistent niet aan de bak en belandt in de gehandicaptenzorg. Na een aantal jaar begint het onregelmatig werken z’n tol te eisen en vindt ze alsnog een baan in het onderwijs. “Op een gegeven moment dacht ik: wat vind ik nog meer leuk? Oh ja, het onderwijs.”

Paula weet op de middelbare school niet zo goed wat ze later wil worden. Een wiskundeleraar ziet direct haar potentieel om les te geven en hij stimuleert haar voor de klas te staan. “Joh Paula, ga jij even een lesje geven. Probeer maar!”

“Daar haalde ik mijn uitdaging wel uit. Ik vond wiskunde leuk. Om dat daar voor de klas te doen, ja, dat deed ik gewoon”, vertelt Paula. “Jij vertelt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is, maar ik vind het nogal wat om op je 15e dit ‘gewoon even’ te doen. Ik moet er niet aan denken dat die leraar dat aan mij had gevraagd!”, zeg ik vol bewondering. Paula lacht bescheiden.

Foldertje onderwijsassistent
Ter oriëntatie op de arbeidsmarkt snuffelt Paula her en der en ze komt erachter dat ze het leukste vindt om mensen verder te helpen met iets. Op een voorlichtingsavond ziet Paula een foldertje over onderwijsassistent en ze is verkocht. Tijdens de opleiding komt Paula tot de conclusie dat het basisonderwijs haar niet ligt. “Ik vind kinderen heel leuk, maar dacht al snel: nee, nee, nee, hier word ik helemaal niet gelukkig van. Die grote groepen met drukke stuiterballetjes vond ik niks.”

Geen werk
Pas 19 lentes jong gaat ze, mét diploma voor Onderwijsassistent op zak, op zoek naar een passende baan. Dat valt vies tegen. Geen vacature te vinden voor een onervaren kracht als Paula. Behalve wat invalwerk. Tijdens de zomervakantie ziet Paula’s moeder een oproep voor vakantiekrachten bij een grote organisatie in de gehandicaptenzorg. “Doordat ik in het speciaal onderwijs had meegelopen, had ik ook wel een en ander van de zorg meegekregen. Dus ik dacht: weet je, ik kan het proberen. Dan kan ik ondertussen rustig verder kijken of ik iets anders kan vinden.”

Op de vraag waarom koos je eigenlijk meteen niet voor de zorg- en welzijnssector, antwoordt Paula: “Ik had wel een bijbaantje in de ouderenzorg. Maar de wereld in mijn hoofd was toen nog wat klein. Ik had nooit nagedacht over wat ik écht leuk zou vinden.”

Balletje rolt de andere kant op
Als Paula eenmaal binnen is, wordt ze binnen de kortste keren door de zorginstelling gevraagd om langer te blijven. “Toen rolde ik een beetje die kant op.” Ze is erg blij dat ze de kans krijgt om meer ervaring op te doen in de gezondheidszorg. “Ik dacht wel: dit is niet voor lang. Maar misschien kan ik er iets anders uitslepen.” Uiteindelijk blijft Paula drie jaar ‘hangen’. Ze begeleidt mensen met een ernstige meervoudige beperking en heeft het prima naar d’r zin.

Het lijkt mij heel zwaar werk. “Er zijn daar echt wel momenten geweest dat ik dacht: dit is heftig. Maar ik haalde voldoening uit die blije gezichten van de mensen, die dat niet konden aangeven, maar toch een leuke dag hadden.” Op het moment dat het nog onduidelijk is of Paula een vast contract zal krijgen, wordt het tijd om de biezen te pakken. Ze komt uit op een nieuw ouderinitiatief, waarbij ouders hun kind met een verstandelijke beperking voor het eerst ‘op zichzelf’ laten wonen. “Ik dacht: ik heb geen diploma, maar ik kan het op z’n minst proberen.”

‘Ik heb geen diploma, maar dacht: ik kan het proberen’

onderwijsondersteuner

Ook hier lukt het Paula weer om zonder diploma binnen te komen. “Dat zag ik als een kans. Deze moet ik grijpen. Dit is ook weer een stap verder dan ik al had gedaan. Weer even andere dingen. Ja, dat.”

Wat ze ervan verwachtte? Het is even stil. Dan: “Ik begon bij de opstart. Dat vond ik het leukste. Een beetje pionieren, kijken hoe het loopt. Het was nog meer bijzonder dan ik had verwacht. De bewoners kwamen qua leeftijd dichtbij die van mij. Sommigen waren zelfs ouder en beseften dat maar al te goed: ‘maar ik ben ouder dan jij.’ “Ze respecteerden mij wel: oké, jij bent degene die af en toe even moet ingrijpen.” Paula glimlacht.

Bijna vijf jaar zit ze op deze plek. Tussentijds behaalt ze haar diploma voor Persoonlijke Begeleider Gehandicaptenzorg. “Ik ben het uit mezelf gaan doen. Alhoewel ik tot nu toe merkte dat ik zonder papiertje ook heel ver kon komen, dacht ik toch: dan heb ik alle kennis die ik nodig heb. Mocht ik ooit naar een andere plek gaan, dan heb ik wél dat papiertje.”

Je had het enorm naar je zin en toch ontstond er een kantelpunt. “Ja, door het draaien van slaapdiensten. Ik merkte dat mijn ritme niet meer was zoals het zou moeten zijn. Je slaapt daar toch niet vast, alleen met 16 bewoners. Dat geeft een enorme verantwoordelijkheid. Ik vond het heel leuk en wilde het ook wel blijven doen, maar niet in combinatie met die slaapdiensten.” Het duurt een tijdje voordat Paula beseft: hier moet ik echt wat mee. Dit ga ik niet heel lang zo volhouden.

Oh ja, het onderwijs
Paula solliciteert op diverse zorgvacatures. Zonder resultaat. “Op een gegeven moment dacht ik: wat vind ik nog meer leuk? Oh ja, het onderwijs.” Er gaat een lampje branden bij Paula. “Mensen helpen met leren. Daar wilde ik naar terug.” Ze komt via een open sollicitatie bij haar voormalige stage-adres aan tafel: een school gericht op speciaal onderwijs. Alhoewel Paula openstaat voor alles, geeft ze duidelijk aan dat ‘die kleuters heel lief en schattig zijn, maar niet zo haar ding’. Als de VO-afdeling aan haar wordt voorgelegd, is Paula nieuwsgierig. Deze werkplek kent ze nog niet.

Dagje meelopen
‘Kom eerst maar eens een dagje meelopen’, krijgt ze te horen. Ze kijkt mee met de kleine groepjes leerlingen die het reguliere voortgezet onderwijs volgen en tegelijkertijd extra aandacht nodig hebben. Bijvoorbeeld door een lichamelijke beperking of een vorm van autisme. Het werken met deze leeftijdsgroep spreekt Paula direct aan. “De uitdaging dat iedereen op zijn eigen niveau en tempo werkt. Dat intrigeerde mij wel. Ik heb twee dagen gesnuffeld en dacht: laten we gáán!”

‘Ik heb twee dagen gesnuffeld en dacht: laten we gáán!’

Of het een goede keuze is geweest. “Aan het begin was het wel even schakelen. Maar ik vond het al heel snel fijn dat ik gewoon weer dat vaste patroon had van overdag werken en de avonden en weekends thuis.” In no time vindt Paula haar plek als onderwijsondersteuner. Ook deze baan heeft weer het pionierende karakter dat haar wel bevalt. Ze krijgt al snel te horen: ‘het lijkt alsof je hier al jaren werkt’. “En dat voelde ook zo.”

“Ik zie leerlingen, die soms lange tijd thuis hebben gezeten, opbloeien en weer enthousiast worden over hun toekomstbeeld. Dát vind ik het mooiste!”

Ben je blij dat je een tussenstap in de zorg hebt gemaakt?
“Die zorg is echt wel een verrijking geweest in de zin van: hoe ga je met mensen om? Ik had eigenlijk geen idee hoe dat zou zijn. Je merkt het pas als je erin werkt. Mensen in een zorginstelling moeten zich erg kwetsbaar opstellen. Dat verdient een respectvolle ondersteuning.” Paula vertelt dat ze veel heeft geleerd van de eerlijkheid van de bewoners. Zo hoort ze ‘joh, kom je vandaag in je badjas naar je werk?’ als ze een lekker lang vest aanheeft en ‘heb je jouw pyjamabroek nog aan?’ als ze in een streepjesbroek binnenkomt. “Héérlijk, dat had ik niet willen missen.”

What’s next? Zit jij binnenkort op de stoel van docent?
Paula grinnikt. “Ik heb collega’s die zitten mij al een beetje die kant op te porren: moet jij niet een keer een opleiding gaan doen voor mentor?! Ik heb zelf zoiets van: op een gegeven moment voel je dat je een stap verder moet maken. Maar ik zeg niet dat ik het nooit ga doen. Wie weet over een jaar pak ik het op. Het is nu oké wat het is. Ik geniet ervan en heb er plezier in.” *

Het onderwijs in, gelukkig!
Een tijdje terug heeft Paula via LinkedIn voor het eerst na haar middelbareschooltijd weer contact met haar wiskundeleraar Rob van Loo. “Geen wiskundedocent geworden zie ik, maar wel het onderwijs in, gelukkig!”, is het eerste wat hij zegt. Paula bedankt hem dat hij haar destijds voor de klas zette. “Want daardoor heb ik stiekem altijd geweten dat het onderwijs iets voor mij was. Hij vond het erg leuk om terug te horen.” Er verschijnt een brede lach op het gezicht van Paula.

Heb je nog een tip voor mensen die een carrièreswitch overwegen?
“Je moet altijd doen wat goed voelt. Dan weet je wat bij je past en waarschijnlijk ook wel waarom het bij je past. Probeer de stap te wagen en ga ervoor als je denkt dat daar iets in te leren valt. Door het iedere keer te ervaren, kom je ook steeds een stapje verder. Vraag ook eens of je een keer mag meelopen op plekken die je interesseren. Probeer het. Waarom niet?!”

Kansen
Gedurende haar loopbaan zie je dat Paula heel duidelijk zelf achter het stuur zit. Ze creëert niet alleen kansen, maar grijpt ze ook als ze voorbijkomen. Met of zonder diploma, ze duikt erin en maakt zich het werk eigen. “Soms moet je ook wel een beetje geluk hebben. En een gokje wagen. Je kunt een ‘nee’ krijgen, maar waarom zou je het niet proberen? Ook al heb je niet altijd de juiste papieren. Als je wel werkervaring hebt, neem je daar ook iets van mee.”

Wiskundeleraar Rob gaf Paula indertijd het vertrouwen om verantwoordelijkheid te nemen over haar eigen leerproces. “Jij haalt altijd goede cijfers. Zou jij je klasgenoten niet even kunnen uitleggen hoe het werkt? Succes!’” #watisjouwverhaal

* Nog hetzelfde jaar ontstaat er ruimte in het team en schuift Paula door naar de plek van mentor. Een extra uitdaging, noemt ze het. Wederom pakt ze de kans die zich voordoet!


IT-specialist

Papegaaien-expert duikt IT-wereld in

Papegaaien-expert duikt IT-wereld in

Natasja is van kleins af aan met dieren in de weer. Dat ze na haar stage in een papegaaienspeciaalzaak belandt, verbaast dan ook niemand. Totdat de sleur toeslaat. Ze neemt ontslag en wil ‘iets’ met IT gaan doen.

Ha schat, is het eerste wat Natasja Pisters hoort als ze haar werkkamer binnenkomt. “Als je een papegaai neemt, heb je voor de rest van je leven een kleuter in huis”, lacht Natasja en wijst op haar twee gevleugelde vriendjes in de boompjes achter zich. Natasja noemt ze ‘mini-mensjes’. Als Natasja over papegaaien begint te vertellen, vergeet ze de wereld om haar heen. Haar enthousiasme werkt aanstekelijk. Even een klein weetje tussendoor, wist je dat papegaaien heel oud kunnen worden? Vijftig of zestig jaar is heel normaal. “Daar zijn veel mensen zich niet van bewust.”

Bont en blauw
Natasja groeit in haar jonge jaren op met dieren. Van honden, katten, kippen, konijnen en cavia’s tot ratten. Ze heeft dan ook al heel duidelijk voor ogen waar ze later aan de slag wil: in de dierentuin. Tijdens haar afstuderen komt Natasja in Antwerpen terecht bij de Koninklijke Maatschappij voor Dieren, waar ze met pinguïns en zeehonden werkt. “Na de eerste week was ik bont en blauw. Die koningspinguïns komen tot je middel. Als ik ze ging voeren, werden ze laaiend enthousiast. Met hun flippers mepten ze tegen m’n benen aan.” Een unieke ervaring, noemt Natasja het. Maar ze heeft dan haar hart al verpand aan de papegaai.

Intelligente dieren
In een eerdere praktijkervaring ontdekt Natasja haar voorliefde voor deze tropische bontgekleurde vogel. “Hier kan ik zoveel leren, dacht ik. Een papegaai is een heel ander dier dan je normaal gesproken in de huiskamer ziet. Heel intelligent en net zo goed te trainen als een kind van ongeveer vier jaar. Ik zag daar wel de uitdaging van in.” Na afloop van de studie Dierverzorging krijgt ze haar gedroomde aanstelling bij een papegaaienspecialist. Uit alle hoeken en gaten van het land komen liefhebbers naar deze winkel in het Limburgse kerkdorpje Horn. Want een papegaai koop je niet zomaar even.

Wake-up call
Na een aantal jaren ervaart Natasja steeds meer sleur in haar werk als verkoopmedewerkster. Ze is inmiddels een onbetwiste expert op het gebied van papegaaisoorten. “Ik stapte m’n bed uit en dacht: oh, het gaat weer zo’n dag worden. Dit was een beetje het punt dat ik me niet meer op m’n gemak begon te voelen.” Een klant zorgt uiteindelijk voor een wake-up call. Natasja verkoopt hem een papegaai en bij het afscheid zegt hij: “Meid, jij bent bestemd voor méér dan dit!” De kern van zijn boodschap dringt op dat moment nog niet tot haar door. Als Natasja ’s avonds in bed ligt, komt het besef: wil ik dit nog wel? Het antwoord is: nee, maar wat blijft er dan nog over? Ze heeft immers haar kinderdroom al verwezenlijkt.

“Meid, jij bent bestemd voor méér dan dit!”

IT-specialist

Ontslag
Natasja houdt in die tijd ook de webshop en website van de winkel bij en vindt dat ‘hartstikke leuk’. Als ze op bezoek gaat bij een webdesign bureau, wordt er een innerlijk vuurtje aangewakkerd. “Eigenlijk toen ik daar binnenkwam dacht ik al: lekker websites maken voor anderen, misschien is dat wel wat voor mij.” Na lang wikken en wegen besluit ze voor twee jaar de schoolbanken in te gaan. Haar vriend speelt hier een cruciale rol in. Ze wonen in die tijd net samen. Met de hypotheek in haar achterhoofd heeft Natasja in eerste instantie wel haar bedenkingen. “Ik wilde eigenlijk niet stoppen. Want ja, financiële zekerheid hè. Dus ik dacht: wat moeten we nu?” Natasja overweegt de opleiding Web & App Development naast haar baan te gaan volgen. Als haar vriend zegt: als je het zeker weet, dan moet je het ook goed doen, hakt Natasja de knoop door. Ze neemt met pijn in d’r hart afscheid van haar werkgever.

In shock
Dat het een enorme overgang is, wordt al snel duidelijk. De ene vakterm na de andere vliegt Natasja om d’r oren. “Ik kwam natuurlijk uit een ‘hobby-achtig iets’ en kreeg allerlei ICT-termen naar mijn hoofd geslingerd waarvan ik dacht: wat is dit? Tijdens mijn eerste hoorcollege heb ik echt in shock zitten luisteren. Ik dacht: waar ben ik aan begonnen?” Absurd, noemt Natasja het. In de loop van het jaar krijgt Natasja meer gevoel bij haar studie. De helft van de studenten is dan al afgehaakt. “Ik ben echt een doorbijter. Als ik ergens aan begin, dan móet ik dat afmaken.” Met haar diploma op zak heeft Natasja in no time een baan te pakken bij een groot IT-consultancybedrijf. Dat is nu zo’n 2,5 jaar geleden.

“Tijdens mijn eerste hoorcollege heb ik in shock zitten luisteren”

Keiharde techneut
Op haar LinkedIn-profiel staat ‘Ik ben een Software Engineer, die van meerdere markten thuis is.’ Of ze in jip-en-janneketaal kan uitleggen wat ze precies doet. “Als je een bepaalde applicatie gaat ontwikkelen, wil je alles mooi maken voor wat de gebruiker ziet. Dat noem je de Frontend. Aan de achterkant, de zogenaamde Backend, zorg ik ervoor dat alle functionaliteiten en data werken en goed worden weggeschreven. Zeg maar het technische deel achter de schermen.” “Wow, jij bent gewoon een keiharde techneut!”, zeg ik. “Eigenlijk wel”, giechelt Natasja.

Allemaal mannen
Natasja is het brede werkveld aan het ontdekken. Vlieguren maken, daar gaat het nu vooral om. Ze noemt haar mentor, die een belangrijke rol heeft gespeeld in de beginfase. “Ik heb een geweldig team momenteel. Vrijwel alle kennis is in huis.” Natasja werkt met allemaal mannen. “Dan krijg je veel voor elkaar hè.” Een stralende lach van de jonge twintiger volgt. Verder ontwikkelen binnen de IT is noodzakelijk. “Dit jaar wil ik nog wat certificering binnenhalen. Bijvoorbeeld op het gebied van testautomatisering, omdat ik daar nu dagelijks mee bezig ben. Bovendien vind ik het hartstikke leuk. Verder is het even kijken qua Backend Development, daar heb ik ook nog veel te leren. Ik merk dat ik nog moeite heb om de ‘echte techneuten’ bij te houden. Want die hebben er een razendsnel tempo in, dat is niet normaal.”

Op de vraag of ze een goede overstap heeft gemaakt, antwoordt Natasja volmondig: “Ja, ik ben er heel blij mee. Het heeft me veel gebracht. Ik ben als persoon ook echt gegroeid.”

Tips voor carrièreswitchers
Of ze nog tips heeft voor mensen die een carrièreswitch overwegen. “Ik zou vooral iemand zoeken waar je een goed gesprek mee kan aangaan om te kijken wat de mogelijkheden zijn. Daarnaast heb ik veel op internet gezocht en een intake gehad met de afdelingscoördinator van de hogeschool over de inhoud en de voorkennis die ik nodig had. Als je een beetje goed bent in wiskunde, dan moet je het wel redden, zeiden ze. Achteraf gezien denk ik: kijk maar iets verder dan alleen wiskunde, want het is wel meer dan dat”, lacht ze. “Het belangrijkste is dat mensen vooral moeten doen waar ze zich goed bij voelen!”

Als Natasja thuiswerkt, hoort ze regelmatig vanuit de boom: wat ben je aan het doen? “Heb je ze ook al IT-termen geleerd?”, grijns ik en wijs naar haar kamergenoten, de Grijze Roodstaart en de kraagpapegaai. “Nee, dan heb ik helemaal geen vrije tijd meer. Haha.” #watisjouwverhaal


omscholing vrachtwagenchauffeur

Pensioenspecialist verwezenlijkt jongensdroom

Pensioenspecialist verwezenlijkt jongensdroom

Op zijn 58e moet Jos Lindeman door een reorganisatie ‘zijn’ bedrijf na 34 trouwe dienstjaren verlaten. Hij laat de verzekeringswereld achter zich en kruipt in de cabine van een vrachtwagen. Een jongensdroom gaat in vervulling. “Ik ben blij dat ik deze keuze hebt gemaakt. Geen vergaderingen, projecten of agile-geneuzel meer.”

“Dit is wel wat anders dan kantoorwerk, hè”, zegt de vrachtwagenchauffeur voor de 13e keer tegen Jos, die een dag meedraait op de vrachtwagen. De chauffeur zit zijn hele leven achter het stuur en is wat verbaasd dat ‘die kantoorpik’ een dagje meekijkt. “Joh, ik ben wel wat gewend. We hebben flink gelachen in die cabine. Het was hartstikke leuk”, lacht Jos. Zijn interesse voor het chauffeursvak wordt aangewakkerd. Maar daar gaat een lang proces aan vooraf.

Kleine Jossie
Jos komt uit Dreischor, een klein Zeeuws dorpje vlakbij Zierikzee. Als klein jongetje roept Jos al: “Ik wil de vrachtwagen op!” Het truckersleven is hem met de paplepel ingegoten. Vader Lindeman heeft een overslagbedrijf. Kleine Jossie helpt zijn pa wanneer ie maar kan. “Ik was altijd in de cabine van de vrachtwagen te vinden.” Mij zie je nooit op kantoor zitten, dacht Jos steeds. Totdat hij begin 20 is en de verzekeringswereld inrolt.

Het blijkt op de incasso-afdeling waar ie werkt ‘ontiegelijk leuk’ te zijn en de wens om chauffeur te worden raakt op de achtergrond. Een aantal jaar later stroomt Jos door richting pensioenen. Het is een andere tak van sport. “Ik moest weer onderaan de ladder beginnen.” Jos volgt talloze cursussen en ontwikkelt zich tot een vakvolwassen klantmanager. Hij wordt gewaardeerd door zijn relaties en heeft veel plezier met zijn collega’s. Een carrièreswitch is dan ook een ‘ver-van -zijn-bedshow’ totdat een reorganisatie roet in het eten gooit. Jos is op dat moment helemaal niet van plan weg te gaan. “Elke dag was anders. Ik ging nooit met tegenzin naar mijn werk. Ik ben min of meer gedwongen in deze situatie beland.”

Knock-outslag
Zijn boventalligheid komt niet geheel onverwachts. Want Jos overleeft maar liefst zeven reorganisaties. De achtste is hij de klos. Ook al komt het niet als donderslag bij heldere hemel, de mokerslag is er niet minder om. “Dit zag ik al mijlenver aankomen. Als ze je roepen, dan krijg je toch wel effe een knock-outslag. Je weet dat je aan de beurt bent, maar toch voelt het als een genadeklap. Tegen afspiegeling kun je je niet wapenen. Je kan hoog of laag springen, maar je doet er niets aan. Op een gegeven moment ben je de Sjaak.” Zijn gedwongen ontslag laat wel wat littekens achter, vertelt Jos. Hij heeft het bedrijf mee helpen opbouwen. “Ik heb bijna 500 miljoen euro verdiend voor dit bedrijf. Of je nou goed of slecht bent, het maakt geen zak uit.”

“Op een gegeven moment ben je de Sjaak”

omscholing vrachtwagenchauffeur

Financieel toekomstplaatje
De werkgever van Jos geeft al in een eerder stadium aan: houd plan B achter de hand. Oftewel: wat kun je doen na deze functie? Hoe kun je jezelf verder ontwikkelen? Wat zou je willen? “Ik dacht er wel over na: wat gaat er gebeuren als ik straks ‘de Sjaak’ ben? Het zou sowieso financiële consequenties hebben. Ik wist dat ik er financieel altijd op achteruit zou gaan.”
Jos schakelt een financieel adviseur in om zijn toekomstplaatje te schetsen tot aan zijn pensioen. Zo weet hij hoe zijn uitgavenpatroon de komende tijd eruit zal zien. “Ik zou het eventueel kunnen redden tot aan mijn pensioen. Toen viel er wel een klein beetje last van mijn schouders”.

Sabbatical
Jos besluit een time-out te nemen en kaart dit aan bij zijn mobiliteitsadviseur. “Ik wil gewoon een sabbatical. Dan zie ik wel waar het schip strandt.” Parallel daaraan vinden diverse loopbaangesprekken plaats. Voor het eerst van zijn leven stelt Jos een cv en motivatiebrief op. “Ik had in 34 jaar nog nooit gesolliciteerd!” Vanaf het begin van het outplacementtraject geeft Jos aan dat hij niet terug wil naar de financiële dienstverlening. Zelfs als hij na één dag thuiszitten al wordt gebeld voor een vacature bij een Zeeuwse intermediair in de pensioenen blijft hij voet bij stuk houden: “Ik wil wat anders doen.”

“Ik wil wat anders doen”

Code 95
Het is even wennen om thuis te zijn. “Van 7 meetings per dag naar alleen maar boodschappen doen.” Na enige tijd begint het dan ook weer te kriebelen bij Jos. Zijn jongensdroom plopt op. Hij haalt zijn vrachtwagenpapiertje tevoorschijn. Ooit gehaald tijdens zijn militaire dienstplicht. De wetten zijn dusdanig veranderd, dat Jos opnieuw ‘code 95’ – een rijbewijs van vakbekwaamheid – moet halen. Eind 2020 haalt Jos deze basiskwalificatie en neemt hij direct wat extra rijlessen om het gevoel weer te krijgen. Tenslotte heeft hij dan bijna 40 jaar lang niet meer een vrachtwagen bestuurd. Het goede gevoel is direct terug. “Gigantisch mooi. Hartstikke leuk, lekker hoog op de weg.” Dit is voor Jos het sein, dat hij de goede weg is ingeslagen.

Uitlaatklep
Hij stuurt wat sollicitaties de deur uit. Binnen het uur wordt hij gebeld voor een sollicitatiegesprek. Jos heeft een goed gevoel bij het bedrijf. “Ze zoeken daar geen rouwdouwers, maar mensen in mijn levenscategorie die klantgericht zijn. Je bent tenslotte de ‘uitlaatklep’ van het bedrijf.” Zijn eerste sollicitatie levert Jos uiteindelijk direct een baan op. Alhoewel hij daarna nog tig aanbiedingen krijgt om elders aan de slag te gaan.

Koffie, croissants en frikandellen
“Het is een hele andere wereld. Eerst waren ze bang dat ik overgekwalificeerd zou zijn.” Maar Jos ziet dat zelf anders. “Het is geen zware fysieke arbeid, alles staat op trolleys. Vermoeiend, erg leuk én veel spierpijn”, vertelt Jos over zijn startperiode. “Het enige waar ik voor moet oppassen is dat ik niet te dik word. Ik was na één dag 6 koffie, 3 croissants en 2 broodjes frikandellen verder”, grapt hij.

Jos is een compleet andere weg ingeslagen. Met de vlam in de pijp scheurt hij nu door het Zeeuwse landschap. “Zo’n 3 à 4 jaar geleden had ik tijdens een planningsgesprek al aangegeven: Ik wil mijn ‘code 95’ halen. Maar ik had uiteindelijk net dat duwtje nodig!” #watisjouwverhaal


dokter met de mooie schoenen

De dokter met de mooie schoenen

De dokter met de mooie schoenen

Een patiënte op leeftijd, een deftige dame de 80 ruimschoots gepasseerd, kijkt onderzoekend naar de weelderige bos krullen van haar vertrouwde arts. Ze wijst op een haarspeldje op het bureau en zegt: “Dokter, die haarspeld, is die van u?”

René van der Griend (56), internist-hematoloog bij het Diakonessenhuis in Utrecht, glimlacht als hij aan dat moment terugdenkt. Hij heeft een bijzondere band met zijn patiënten. Sporadisch deelt hij een anekdote. Over wat patiënten tegen hem zeggen. Over zijn krullen. Of over zijn schoenen. Want dat hun dokter een voorliefde heeft voor mooie schoenen, ontgaat ook zijn patiënten niet.

Hematologie draait om bloedziekten. Een specialisme dat deze bevlogen medisch specialist nooit lijkt te vervelen. “Geen dag is hetzelfde.”

Ogenschijnlijk heeft René een ‘loopbaan volgens de boekjes’. Je zoekt eerst een beroep uit. Dan volg je de bijbehorende studie en zoek je een baan. Voor de rest van je leven. Het lijkt simpel. Maar niets is minder waar. Voor René was het een lange weg. “Ik moest er hard voor werken. Zo slim ben ik niet. Daarom vind ik mijn verhaal ook niet zo bijzonder. Het enige wat ik te vertellen heb is dat je met hard werken ver komt.”

Jawel René, iedereen heeft een uniek verhaal. Dus jij ook. Even terug naar het begin. Wilde jij al van kinds af aan dokter worden?
“Niet per se. Doktertje spelen, nee, dat deed ik niet”, lacht René. Op een vervelende manier krijgt hij als klein jongetje met het ziekenhuis te maken als hij een hersenvliesontsteking oploopt. Zo’n acht weken ligt René in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Afgesloten van de buitenwereld vindt een langdurige opname plaats met diverse onderzoeken. Die wereld vol grote mensen met witte jassen maakt diepe indruk op René. Jarenlang moet hij voor controle terugkomen bij de fameuze dokter Stoop. “Achter op de fiets bij mijn moeder gingen we op de terugweg altijd langs het bakkertje aan de Lange Nieuwstraat. Dan kreeg ik een puddingbroodje. Als cadeautje. Een pleister op de wonde.”

Heeft deze ziekenhuiservaring mede bijgedragen aan jouw beroepskeuze?
“Dat moet haast wel. Ik kan me er nog veel van herinneren. Heel veel zelfs. Het was een vervelende wereld vol onzekerheid. De onderzoeken waren niet leuk. Een naar maagonderzoek met pap of een hersenonderzoek met lijm op m’n hoofd gesmeerd voor alle elektrodes. Die vele prikken. Altijd na het bezoek aan de arts. Bloed prikken aan het einde van de gang in het kamertje links. Ik kan die gang dromen.”

Wat is jouw eerste herinnering aan je carrière?
“Colleges volgen in die klassieke grote zalen. Dat was spannend. Er ging een hele nieuwe wereld voor me open. Een wereld die ik helemaal niet kende. Ik kwam niet uit een doktersfamilie. Alleen er naartoe als enige van mijn middelbare schoolklas. Enge dingen zien. Moeilijke dingen. De manier van studeren die ik niet beheerste. Het eerste jaar in de snijzaal. Voor de eerste keer bloedprikken.”

“Er ging een hele nieuwe wereld voor me open”

dokter met de mooie schoenen

Hoe is dat in zo’n snijzaal de eerste keer als 18-jarig broekie?
“Niet leuk. Eng. Je ziet tientallen lijken liggen en daar moet je voor het eerst in snijden met je gloednieuwe snijsetje. Interessant natuurlijk, maar ook doodeng. Zoveel overleden mensen had ik nou ook weer niet gezien. Als je er letterlijk aan moet zitten en er de hele dag mee bezig bent … die formalinegeur. Dat is iets wat je niet vergeet. Voor de rest van je leven.”

Heb je wel eens gedacht: ik stop ermee?
“Jazeker! In het eerste jaar. Ik kreeg met kerst de vraag: moet jij wel doorgaan? Ik had voor het eerst in mijn leven een paar onvoldoendes. Daarmee aangevend dat ik de techniek van studeren moest aanpassen eigenlijk. Ik kon het wel. Althans, dat heb ik later geleerd.”

Wat heeft je over de streep getrokken om toch door te gaan?
“Tja, ergens je tanden inzetten en niet opgeven. Dat past wel bij me, denk ik.”

Is dat een rode draad in je loopbaan?
“Ik vind dat je dingen moet afmaken, ja. Dat heb ik van huis uit meegekregen.”

René leert in zijn studententijd om hard te werken en niet te mopperen. Werkweken van 80 tot 100 uur zijn vanzelfsprekend. “In mijn eerste dienst als art-assistent ging ik vrijdag het ziekenhuis in en kwam ik er maandagavond uit. Ik at, dronk en sliep in het ziekenhuis. Dan werd ik niet afgelost na 8 uur. Dat mag nu wettelijk niet meer.” René promoveert ook nog eens tijdens zijn opleiding tot internist. “Zo’n dubbele baan is voor niemand goed.”

Vroeger noemden ze de dokter één van de notabelen van het dorp. Hoe zie jij dat?
“Ik ben niet een belangrijk mens. Maar mijn vak is wel belangrijk. Want we krijgen allemaal met de dokter te maken. Dus uiteindelijk heb je daar ook ontzag voor. En hoop je dat die dokter iets bijzonders kan. Niet als een tovenaar, maar wel met zijn medicatie of ingreep. Als patiënt ben je er zo ontzettend van afhankelijk. Je wordt nog belangrijker als dokter, naarmate je het goed invult denk ik. Met goede gepaste aandacht en uitleg. Dokters kunnen allemaal dezelfde pil of hetzelfde infuus geven. Simpel gezegd: het protocol volgen met hetzelfde resultaat. En tenslotte draait het ook om het inzetten van de juiste kennis en kunde. Maar de persoonlijke wijze van begeleiding maakt het verschil voor de manier waarop de patiënt het allemaal doorstaat.”

“Wat heeft u mooie schoenen, dokter. U lijkt de minister wel.”

Zie jij je werk als een missie?
“Nee, ik zou deze gedrevenheid ook voor een ander vak kunnen hebben als ik dat leuk zou vinden. Het is een drijfveer, géén missie.”

Klappen voor zorgprofessionals vindt René ‘onzin’. “Ik vind het fijn als mensen ‘dank je wel’ zeggen, omdat het goed gegaan is of als ze blij zijn met de begeleiding. Maar dat applaus slaat nergens op, ik ben geen koning.”

Een dame (92) geeft, na jarenlange behandelingen, aan dat ze naar het Hospice wil. Ze zit in een rolstoel vlak bij haar dokter, pakt zijn arm stevig vast en zegt: “Ik ben u erg dankbaar.” Direct gevolgd door: “Heeft u nog nieuwe schoenen?”

Wat heeft de meeste indruk op jou gemaakt in je carrière tot nu toe?
“Dat weet ik niet. Er zijn zoveel gebeurtenissen die uniek waren. Je moet heel erg creatief zijn, oplossend en stressbestendig. Je hebt zoveel momenten dat je het even niet weet of even niet onder controle hebt, ook al merkt de patiënt daar zelf niets van. Het is best een onzeker vak. Zeker in het begin van je carrière tijdens avond- en nachtdiensten.”

Hoe deal je daarmee met die onzekerheid?
“Tja, doorpakken. Iedere dag is er een waar je beter van wordt en slimmer. Ik heb in ontelbare kamers, zalen, eerste hulpen en op verschillende plekken gekke dingen meegemaakt. Je hebt uiteraard wel een relevante hoeveelheid basiskennis. Niets gekker dan de mens. Bijna iedere dag zijn er wel situaties waarin mensen anders reageren dan je denkt.”

Een Amerikaanse vrouw komt met haar zieke zoon binnen en voert op een wat kritische toon het gesprek. Dan ziet ze ineens de schoenen van haar dokter en zegt verrukt: “OMG, your shoes. Amazing!”

Even later komt René terug op het meest indrukwekkende in zijn doktersbestaan tot nu toe. “Misschien de euthanasieën, die zijn uiteraard wel heel bijzonder.” Hij vertelt hoe deze momenten hem persoonlijk raken. En hoe hij er op afstand klinisch naar kijkt om zijn vak toewerkend naar dat ene cruciale moment goed te kunnen uitoefenen. “Ik probeer patiënten ook te vergeten als ik naar huis ga. Dat moet. Anders kan ik dit werk niet doen en heeft het thuisfront helemaal niets aan me.”

Je maakt lange intensieve werkweken en moet altijd op scherp staan. Hoe houd je zoiets vol?
“Je moet een beetje geluk hebben. Het thuisfront moet kloppen, gezond blijven enzovoorts. En een ontzettende drive om een stapje harder te lopen. Als je dat niet kan, tja … Je moet het ook leuk vinden. Als je dat niet hebt, ga je stoppen of wil je minder werken. Maar dat geldt toch voor ieder vak?”

“Kijk dokter, ik heb óók mooie schoenen.” Een vrouw van midden 60 slingert haar benen in de lucht en toont trots haar schoenen.

Waarom hematologie eigenlijk?
“Ik ben geen ‘snijder’, hoe mooi dat vak ook is. Dan houd je de puzzelaar over. Het mooie aan hematologie is dat je het allemaal zelf kunt onderzoeken. Je doet bijvoorbeeld zelf een beenmergpunctie, bekijkt erna het materiaal onder de microscoop, stelt een diagnose en maakt een plan.” De voormalige opleider van René – zijn ‘medische vader‘ Otger Meuwissen – zei ooit: ‘Ons vakgebied betreft vaak aardige mensen’. “Ik kan dat niet wetenschappelijk bewijzen, denk ik, maar wat hij bedoelde te zeggen klopt wel, ik heb heel veel aardige patiënten in mijn loopbaan ontmoet.”

Hematologie omvat voor 80 à 90% kwaadaardige diagnoses. De behandelresultaten zijn gelukkig vaak goed. “Patiënten met bijvoorbeeld Hodgkin lymfeklierkanker kun je bijna allemaal genezen. We gaan voor goud, zeg ik dan. Dat is héél fijn. Het is veel minder somber dan het oncologisch vak.”

René vertelt dat het binnen zijn werk om teamwork draait. Van ondersteunende specialisten vanuit bijvoorbeeld het laboratorium en beeldvorming tot aan de verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en secretaresses. Elke rol is even belangrijk.

“Ik mag misschien wel aan het roer staan, maar het blijft teamwork”

Wat vind jij nog meer mooi aan ‘dokter zijn’?
“Het gaat er niet alleen om een goede dokter te zijn, maar ook een dokter waar je als patiënt alles aan toevertrouwt. Ik sta bijna intiem dichtbij mensen en hun directe naasten. Stuk voor stuk mensen in een hele kwetsbare situatie. Dat ik ze daarin kan en mag helpen, maakt het heel bijzonder en dankbaar. Wij gaan u helpen, zeg ik vaak. Mensen zijn heel verschillend in hun achtergrond en karakters, dat maakt het ook leuk. Ik begeleid mensen vaak lang. Omdat bepaalde ziektes lange tijd niet behandeld hoeven worden, duurt zo’n traject echt vele jaren.”

Een nieuwe patiënte die voor de uitslag van een beenmergpunctie komt: “Volgens mijn buurvrouw bent u een aardige dokter en moet ik naar uw schoenen kijken.”

Even oneerbiedig gezegd: jij kent eigenlijk maar één kunstje. Verveelt dat nooit?
“Nee! Ik heb onlangs nog een 3-daagse nascholing gevolgd over nieuwe ontwikkelingen bij slechts één bepaalde subgroep van bloedziekte. Het vak is zo interessant, omdat de wetenschappelijke kennis zich enorm ontwikkelt. Dezelfde diagnose is bij iedereen net weer anders. Niet iedere ziekte uit zich op dezelfde manier bij verschillende patiënten. Dat maakt het gevarieerd. Het is daarnaast de indrukwekkende ontwikkeling van het vak met toenemend meer genezingskansen voor mijn patiënten, dat het zo afwisselend én mooi maakt. Ik beoefen bepaald niet het vak van 20 jaar geleden.”

Vanwege de corona vindt het consult telefonisch plaats. De patiënte bedankt haar dokter uitvoerig voor zijn hulp. “Nu kan ik alleen uw schoenen niet zien”, zegt ze teleurgesteld. De dokter antwoordt: “Binnenkort kunnen we beeldbellen, mevrouw.”

Als je opnieuw voor de studiekeuze zou staan als 18-jarige?
“Dan zou ik ab-so-luut voor hetzelfde beroep kiezen. Ik zou niet weten wat ik anders zou moeten doen.”

Dochterlief treedt in de voetsporen van haar vader (‘haar grote voorbeeld’). Ze studeert voor arts-onderzoeker en vertelt René dat ze met zichzelf de deal heeft gesloten om cum laude af te studeren. Zijn reactie is veelzeggend: “Prachtig doel, maar word vooral ook een warme goede betrokken dokter!” #watisjouwverhaal

[Foto René homepage: www.roosdehaan.nl]


Van stuurman tot horecaondernemer

Van stuurman tot horecaondernemer

“Ik heb wat baantjes in de horeca gehad en viel af en toe in. Een tent zelf draaiende houden, dat is andere koek. Het is rennen hoor. Je blijft op een mooi streefgewicht. Mijn BMI is goed, dat durf ik je wel te zeggen. Die was niet goed toen ik begon. Als je nog een vette vent kent, ik heb nog een paar pakken in de aanbieding”, grapt Cees Blom, mede-eigenaar van Schenkerij de Beurs. Het grand café is gevestigd in een authentiek beursgebouw uit 1888 in hartje Geldermalsen.

Lekker varen
Cees (53) pakt een sigaret uit zijn Camel-pakje, zakt onderuit op zijn terrasstoel en begint te vertellen over zijn carrièreswitch. Hoe hij vorig jaar vanuit zijn logistieke achtergrond de overstap maakt naar de horeca. Cees start zijn loopbaan op de zeevaartschool. “Dat was mijn puberale opstand naar mijn ouders”, lacht Cees. Zij wilden dat ik de Heao ging doen en dan een viszaak zou gaan openen. Mijn ouders hadden namelijk allemaal viswinkels. Ik had zoiets van: dat ga ik dus niet doen. Ik wilde lekker varen, weg uit Nederland.”

Vaarwel vrijbuitersbestaan
Cees komt er na 2,5 jaar achter dat ‘t zijn leven niet is. Hij gaat in dienst en klooit wat aan. “Allerlei baantjes en een beetje verkopen”, noemt hij het. Als Cees een gezin krijgt, verruilt hij zijn vrijbuitersbestaan voor het serieuzere werk en komt hij bij de grootste aluminiumproducent van de wereld terecht. “De toenmalige directeur zocht juist mensen die van de zeevaartschool afkwamen. Het voordeel van op zee zitten, is dat je niet altijd je moeder kan bellen als je een beslissing moet nemen. Je bent ontzettend zelfstandig. Je hebt geen telefoon waarmee je kan appen: mama, wat moet ik doen?” Vanuit de rol van afdelingshoofd groeit hij door naar logistiek manager. Aansluitend stapt Cees na tien jaar over naar een soortgelijke functie bij de marktleider op het gebied van raambekleding.

“Mama, wat moet ik doen?”

De koek is op
In 2012 trekt Cees de stekker eruit. Hij voelt dat hij te lang op een plek zit en dat hij is vastgeroest. Ook tijdens de daaropvolgende interim-klusjes krijgt hij hetzelfde energieloze gevoel. Cees neemt een sabbatical. Twee jaar lang doet hij niets. “Dat was erg lekker. Op een gegeven moment moet je toch weer aan de bak. Het is ook niet zo dat ik als de ING-topman 1,4 miljoen meekreeg bij mijn vertrek.” Cees grijnst. Hij rommelt vervolgens wat aan. Een paar interim-functies. Nog ergens een logistieke baan in loondienst. Hij loopt wederom tegen hetzelfde gevoel aan en kan geen enthousiasme meer opbrengen voor zijn vak. De koek is op.

Horecatent
Hij steekt een volgende peuk op. “Ik heb ook een e-sigaret, maar dat lukt nog niet helemaal”. Weer een grote grijns. Cees ten voeten uit. Grappend en grollend. Het leven niet al te serieus nemend. Toch vraagt hij zich op dat moment wel degelijk serieus af wat hij zal gaan doen. In zijn hoofd vormt zich steeds meer het plan om met zijn vriendin Isabella een eigen bedrijf op te zetten: ‘iets’ met lifestyle en horeca. Dan krijgen ze de kans om een bestaande horecatent in Geldermalsen over te nemen. Ze duiken er vol overgave in. “De trein stond hier even stil en daar zijn wij op ingesprongen. Het gaat ontzettend goed. We hadden niet verwacht dat we zo’n succes zouden hebben, dat het zo snel zou gaan. Dat is ook op dit moment ons ‘bottleneckje’. We zijn bijna veertien uur per dag, zeven dagen in de week, aan het werk.”

Grand café en meer
Cees en Isabella hebben bewust gekozen voor het concept van een grand café. “Bij ons kun je niet aan de bar zitten. Dat is een bewuste keuze. Als jij binnenkomt met een vriendin en iemand aan de bar fluit ‘fiet fieuw’, dan voel jij je niet prettig meer. Onze klanten, de meesten zijn vrouwen, komen een kopje koffie doen. Lekker keutelen. Of ’n wat ouder publiek dat er even uit wil en geen zin heeft in een kroeg. Maar we doen meer.” Cees somt een scala aan thematische bijeenkomsten en feesten op, waarbij ze hun tent opengooien en activiteiten organiseren. Cultuur Café Geldermalsen, de Rotaryclub, Go Wheels en Samenloop voor Hoop. Steeds meer organisaties weten hun weg te vinden naar ‘de Beurs’.

Geintje
Cees woont inmiddels zo’n 26 jaar in de Betuwse contreien en kent iedereen. De rol van horecaondernemer is hem op het lijf geschreven. De contacten, de diversiteit. Het slappe geouwehoer. En niet te vergeten hard werken, kilometers maken. “Ik kan met mensen omgaan, ik vlieg over het terras heen. Af en toe een geintje uithalen. Van de zomer toen het zo heet was, ben ik waterbakken bij de Blokker gaan halen als voetenbadjes. Dat soort dingen. Ja, het is hard werken, maar daar krijg je het enthousiasme en vrolijkheid van de mensen voor terug die zeggen: dit is wat Geldermalsen nodig heeft. Als je hard werkt en niemand komt terug, dan doet het pijn. Maar dat hebben wij gelukkig niet.”

Geen haute cuisine
Tot ver in het nieuwe jaar is de zaterdagavond volgeboekt met besloten feestjes. Een lopend buffet voor 200 man, daar draait Cees z’n handen niet voor om. “We willen kwaliteit leveren en zitten prijstechnisch goed. Maar het is wel ’t simpelere werk. Ik zeg altijd tegen mijn klanten: we zijn geen haute cuisine.” Cees geniet zichtbaar en laat vol trots zijn eigen ‘Beurswijn’ zien. Hij neemt nog een trekje van zijn peuk en vertelt ondertussen honderduit over de succesvolle momenten. Natuurlijk zijn er ook mislukkingen. De Lama’s die optraden voor anderhalve man en een halve paardenkop. De tent ombouwen tot een wielercafé tijdens Parijs-Roubaix, waarbij de mussen van het dak vallen en er geen kip te bekennen is. “Het is ook gokken. Als het slecht weer is, zit het vol.”

Tranen
“Op 5 mei hadden we hier buiten de Andrew Sisters cover-act. Het was zó vol, dat wij niet eens meer konden bedienen. Dat je zoveel mensen verzameld krijgt, van jong tot oud, die naar muziek staan te luisteren … daar krijg je een heel bevredigend gevoel bij. Dit is de weg die we aan het zoeken zijn. Daar kan ik ook emotioneel van worden en met tranen in m’n ogen zeggen: wow, we did it!”

“Wow, we did it!”

Dit is het
Achteraf gezien blijkt het ondernemerschap bij Cees in het bloed te zitten. Alle puzzelstukjes vallen ineens op hun plaats. “Zeker. Maar je moet het wel doen”, beaamt Cees. “Ik heb die andere dingen ook met plezier gedaan. Het was gezellig en goed werken. Pas op het moment dat je verzadigd raakt, ga je denken: wat vind ik leuk? Dan is de stap nemen nog steeds héél moeilijk. Je denkt er wel aan, maar durft het niet door te zetten. Ik denk dat het zo wel is. Het leven is veranderd, dan kom je erachter: wat ik aan doen ben, dat vind ik niet leuk meer. En ineens zeg je: hé, dit is het.”

“Of ik tips voor anderen heb? Even denken. Zoek het bij jezelf. Het belangrijkste daarbij is: durf je uit je vastigheid te stappen? En dan: wat vind je leuk? Of je nou voor een baas werkt of voor jezelf, have fun. Dan maakt het denk ik niet uit in welk vak je zit. En geloof in jezelf!” #watisjouwverhaal

Meer info: www.debeurs-geldermalsen.nl.

[Foto Cees: Guido Goluke, Major Label]


zorg

Een oude ziel in de zorg

Een oude ziel in de zorg

Verpleegkundige Tommie Niessen timmert aan de weg en is veelvuldig in de media te bespeuren. Hij werkt als zelfstandige in de wijkzorg in Helmond, heeft een eigen t-shirtlijn ‘Zuster & Broeder’, verzorgt gastlessen en lezingen, vlogt en blogt er op los en last but not least schrijft boeken waaronder ‘Tommie in de zorg’. De jonge gevoelige broeder raakt mensen recht in het hart.

Zachte G en tatoeages
“Tommie, je weet me vaak diep te raken met je verhalen en de manier waarop jij met mensen omgaat. Ik hoop dat er een ‘Tommie’ zal zijn die mij komt helpen als het ooit nodig is”, schrijft een fan op zijn Facebook-pagina. Tommie (27) wordt er soms verlegen van. Zijn onvervalste zachte G vormt een schril contrast met de stoere getatoeëerde rechteronderarm. Zorgvuldig weegt Tommie z’n woorden af. Zoekend naar wat hij wil vertellen. Puur. Enthousiast. Af en toe vult een peinzende stilte de sfeervolle Brasserie in de Nederlandsche Cacaofabriek.

Ego
Tommie denkt regelmatig terug aan het gesprek met z’n moeder, dat bepalend blijkt te zijn voor zijn loopbaan. Hij heeft dan al drie mislukte studies achter de rug en hij weet absoluut niet wat hij wil gaan doen. “Hoe ga ik nou aan mijn vrienden vertellen dat ik mensen ga wassen?”, is het eerste wat Tommie denkt als zijn moeder het idee oppert om de zorg in te gaan. Tommie lacht zijn moeder, die zelf in de zorg werkt, uit en zegt: “Ik ga écht niet in de zorg werken, want dan moet ik mensen wassen en uitkleden.” Tommie heeft op dat moment vooroordelen over de zorg. “Oude mensen wassen is saai. En niet stoer. Het is toch een beetje een vrouwenberoep. Dat was ook wel wat mij een beetje weerhield. Dus eigenlijk hield mijn ego me tegen om keuzes te maken.”

De combinatie van werken en leren spreekt hem toch wel aan, dus Tommie besluit met de opleiding voor verzorgende te starten. “Toen ik daarmee begon, voelde het meteen heel goed. Niet dat wassen en aankleden. Maar daar gaat ‘t ook niet om in de zorg. Het gaat om hele andere dingen.” Tommie is rond de 20 als hij de zorg inrolt.

“Ik dacht: oude mensen wassen is saai en niet stoer”

Schot in de roos
De gezondheidszorg blijkt een schot in de roos. Al vrij snel merkt Tommie dat hij op een directe manier iets voor een ander kan betekenen. Vooral voor de kwetsbare ouderen. Het geeft hem een goed gevoel. Hij gaat de wijkzorg in en volgt een aanvullende opleiding voor Verpleegkunde. Het mooiste aan de zorg vindt hij niet zozeer de technische handelingen, maar vooral de aandacht voor de mens. “Natuurlijk moet je bepaalde dingen doen zoals mensen wassen. Maar zoals ik net al zei: daar gaat het toch niet om? Het gaat er vooral om dat je goed bent voor die oude mensen. Dat is belangrijk. Tuurlijk, mensen willen zich schoon voelen, maar het contact maakt hoe iemand zich voelt. Ik ben verpleegkundige en kom ergens met een reden. Iemand heeft bijvoorbeeld een spuit nodig. Maar de manier waarop je dat vormgeeft en met degene praat, dat is bepalend voor hoe iemand de zorg ervaart.”

Improviseren
Tommie heeft doelbewust voor de wijkzorg gekozen. ‘Niet zo statisch en heel afwisselend’ noemt hij zijn vak. “Ik kom telkens in een andere omgeving. Achter elke deur zit weer een ander verhaal. Mensen hebben in de wijk een eigen leven en ik kom daar even binnen.” Het is vaak improviseren. “Soms is niet alles aanwezig en dan moet ik toch iets verzinnen. Snap je wat ik bedoel? Ik moet iemand wassen en de handdoeken zijn op. Of ik moet een drain verwijderen, maar er is geen materiaal aanwezig. Ik moet me steeds aanpassen in verschillende situaties en dat is heel leerzaam.”

“Achter elke deur zit een ander verhaal”

Hospice van Beau
Eenzaamheid bij ouderen raakt Tommie tot in het diepst van zijn vezels. “Ik kom bij mensen die niemand om zich heen hebben. Dat vind ik altijd heel erg naar. Het is wel fijn om oud te worden denk ik, maar als alles om je heen wegvalt en jij bent er nog …” Op termijn ziet Tommie zichzelf richting de palliatieve zorg bewegen. Hij roemt het boek Slotcouplet van longarts Sander de Hosson – specialist in palliatieve zorg en hét grote voorbeeld voor Tommie – en werkte de afgelopen twee jaar veel in een high-care Hospice. Dit Hospice werd mede bekend door de docu-serie ‘Beau Five Days Inside’, waarin Beau van Erven Dorens op ontroerende wijze tv-kijkend Nederland een kijkje achter de schermen geeft. “Het is heel mooi daar. Het is de plek waar mensen sterven, maar het leven staat centraal. Als ik me ga specialiseren in verpleegkunde, ga ik me daarop richten. Maar nu nog even niet.”

Geen Hosanna-verhaal
Tommie zit zichtbaar op het juiste pad. Een roeping wil hij het niet noemen. Hij vindt zijn vak ‘gewoon heel mooi’. De jonge zorgverlener hoopt dat er meer mensen in de zorg gaan werken. Dat is een van de redenen waarom hij zijn dagelijkse ervaringen graag deelt via social media. Duizenden volgers hangen aan zijn lippen. Een Hosanna-verhaal is het zeker niet altijd. “Ik zal de laatste zijn die zegt dat het alleen maar leuk is in de zorg. Zeker niet. Maar je krijgt er zoveel voor terug. Mensen zijn zó dankbaar voor de zorg die ze krijgen en dat je er voor hen bent.” Hij grijnst als hij zegt dat veel mensen een vooroordeel hebben. Zeker als hij ergens voor het eerst komt. Want een man én dan ook nog zo jong? “Vaak voel je gewoon dat mensen je op een bepaalde manier aankijken, toch? Zoiets van: wat hebben we nou weer? Dat vind ik het leukste. Dan ga ik met mensen praten en zie ik ze ontdooien”, zegt hij lachend.

Ga het ervaren
Tommie wil graag het etiket wegnemen dat jongeren op de zorg plakken. Daarom geeft hij onder meer gastlessen op mbo-scholen. Zijn advies is simpel en doeltreffend. “Tuurlijk is het vervelend als je studie mislukt. Dan krijg je te horen van je omgeving dat je geen doorzettingsvermogen hebt. Mijn moeder zei dat heel vaak. Dat vond ik heel naar. ‘Hoezo geen doorzettingsvermogen?’ zei ik dan, ‘ik vind het gewoon niet leuk.’ Je moet gewoon alles uitproberen en niet oordelen over iets waar je niets van weet. Ik drukte de zorg ook eerst weg, omdat ik het niet ervaren had. Maar dan sluit je het al uit voordat je het weet. Dus ga het ervaren. Kom je erachter dat het niets is, prima.”

Het hoogtepunt: een boek
“Het is op mijn pad gekomen. Ik heb nooit de intentie gehad om een boek te schrijven. Maar nu is het bijna zover: 11 september!” Tommie straalt van oor tot oor als hij over zijn boek vertelt, dat gaat over zijn ontroerende ontmoetingen in de ouderenzorg. Het overvalt hem allemaal een beetje. Hij leeft de laatste tijd in een rollercoaster. “Kijk, ik werk gewoon in de zorg. Alles wat daarbij verder komt kijken is nieuw. Het is allemaal positief, maar heel veel. Dadelijk komt mijn boek uit en dan ga ik eerst met vakantie. Naar de Ardennen, daar is het lekker rustig.”

Tommie kijkt ondertussen met een schuin oog naar het folderrek bij de receptie. Of het onbeleefd is om daar de boekenflyer gewoon neer te leggen? Hij gaat het toch maar even vragen. Even later legt hij z’n stapeltje flyers in het rek. De receptioniste rangschikt de folders en pakt nieuwsgierig die van Tommie. Tommie loopt weg. Zijn korte broek slobbert om zijn dunne benen. Een jonge twintiger en ‘n oude ziel tegelijk. #watisjouwverhaal

Meer info: www.tommieniessen.nl. PS: Onlangs verscheen zijn tweede boek ‘Tommie in gesprek’: een ode aan de zorg en de zorgverleners.

[Foto bij quote: Dennis Vloedmans]


personal trainer

Carrièreswitch naar personal trainer

Carrièreswitch naar personal trainer

Hoezo zijn vijftigers uitgerangeerd op de arbeidsmarkt? Gera Vermeulen bewijst het tegendeel. Vlak voor haar 50e trekt Gera de stoute schoenen aan en gooit het roer volledig om. Het bedrijfsleven laat ze definitief achter zich. Ze start haar eigen fit20 studio als personal trainer.

Eerste echte baan
Als jong meisje is Gera altijd te vinden in het zwembad en op het korfbalveld. Ze weet dan nog niet dat sport in een verre toekomst een belangrijke rol in haar werkend leven zal gaan spelen. In die tijd weet ze absoluut niet wat ze wil gaan studeren. “Geen flauw idee wat ik wilde worden. Ik rolde bij een bank naar binnen en kreeg daar mijn eerste echte baan. Ik ging van alles en nog wat doen en volgde allerlei praktische opleidingen. Ik vond het heel erg leuk, had leuke collega’s en kreeg de kans om te studeren. Dus ik dacht bij mezelf: dit is best wel heel erg goed.” Dat het goed zat blijkt ook wel uit de vele dienstjaren die Gera doorbrengt bij haar werkgever. Ruim twintig jaar bekleedt ze hele verschillende functies bij de bank.

Kneiterhard werken
Financiële administratie, zakelijke financieringen, advies aan MKB, productontwikkeling, applicatiebeheer, marketing en communicatie. ‘You name it’ en Gera heeft het gedaan. Zeker rondom het millennium en de invoering van de euro ervaart ze haar werken bij de bank als een “fantastische tijd”. “Er moest zoveel gebeuren. Het was gewoon kneiterhard werken met elkaar en het gaf een enorm saamhorigheidsgevoel.” Dan wordt het tijd voor een sabbatical. Een wereldreis van drie maanden, waarin werk even naar de achtergrond verdwijnt. Daarna gaat ze een aantal jaren aan de slag als assistent van een bestuurder in de zorgsector.

Overlevingsstand
In korte tijd volgen verdrietige privé-gebeurtenissen elkaar op. Gera komt in de overlevingsstand terecht en zowel zakelijk als privé ervaart ze onbalans. Niet veel later volgt er een periode dat Gera tijd voor zichzelf krijgt. Er komt weer rust en ruimte om te bedenken van ‘oké, waar word ik weer gelukkig van, wat wil ik nou echt’? Ze realiseert zich dat ze nog een lange tijd mag werken en wil iets gaan doen waar ze echt heel blij van wordt. “Ik kwam al heel snel op sport uit. Toen zei mijn partner ineens: wat denk je ervan om studio-eigenaar van fit20 te worden? Ik had er nooit over nagedacht.”

“Ik kreeg rust en dacht: wat wil ik nou echt?”

personal trainer

Carrièreswitch
Het fitnessconcept fit20 komt niet zomaar uit de lucht vallen. Gera traint al jaren bij fit20 en daar ontdekt ze wat het met haar lijf doet. “Toen ik daar begon, was mijn spierkracht helemaal niets. Ik deed aan wandelen, golfen en cardio, maar niet aan krachttraining. M’n houding werd beter, ik kon langer staan en traplopen ging veel makkelijker. Weet je wel, van die basale dingen die er geleidelijk aan insluipen en die we normaal gaan vinden. Toen merkte ik pas: oké, dit doet het dus met je als je aan je spieren gaat werken.” Gera wordt enthousiast van het idee om haar loopbaan als personal trainer voort te zetten en onderzoekt de markt. Ze hakt de knoop door en na maanden van intensieve voorbereidingen en opleiding start ze in Velp haar eigen fit20-studio.

“Ik heb het contact met mensen altijd leuk gevonden. Ik heb in de tijd dat ik korfbalde ook teams getraind en gecoacht. Dus mensen iets leren en enthousiasmeren, dat zit wel in me. En als je dat in combinatie mag doen met iets waar mensen gezonder, fitter en sterker van worden. Dat is zó mooi!”

Sporthaters
Het concept is simpel maar doeltreffend: één keer per week train je 20 minuten lang onder begeleiding van een personal trainer. Gewoon in je dagelijkse kloffie, want de studio is heerlijk koel. “Het is hier 17 graden. Je doet de oefeningen in slow motion. Dat maakt dat je niet gaat zweten.” Er is geen reden meer om niet te gaan sporten. Want we kennen ze allemaal. De sporthaters. De mensen met overvolle agenda’s. De mensen die zich niet thuis voelen in een reguliere sportschool. Maar zelfs voor de mensen die niet van sport houden of weinig tijd hebben, is de tijdsduur te overzien.

Ook de 1-op-1-begeleiding is een verademing in vergelijking met de fitnesszalen vol verhitte sportlijven. “Als mensen geen stok achter de deur hebben, zeggen ze: nou, ik ga niet hoor. Als ze een afspraak hebben met hun personal trainer, met míj, dan is het toch een drempeltje om die afspraak met mij af te zeggen.”

“Zitten is het nieuwe roken”

Redelijke shape
Gera is nu een half jaar bezig als franchisenemer en ze is blij dat ze de stap heeft genomen. Het ondernemerschap past haar als een jas. Iets wat ze van te voren nooit had kunnen bedenken. Zo heeft ze zelfs ambities om op termijn een tweede vestiging te openen. Voor Gera voelt het als een cadeau om mensen te laten werken aan hun fysieke gesteldheid op een gezonde en veilige manier. Want een krakkemikkig lijf gunt ze niemand. Ook zichzelf niet.

“Medici zeggen inmiddels al: ‘zitten is het nieuwe roken’. De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) heeft het óók al uitgeroepen tot een ziekte. Spierarmoede noemen ze het. Google het maar eens. We moeten allemaal langer thuis blijven wonen en voor onszelf zorgen. Nou, dat doe ik dan toch het liefste in ‘n beetje redelijke shape.” #watisjouwverhaal

Meer info: www.fit20velp.nl.


hoedenmaakster

Hobby groeit uit tot ambachtelijke hoedenmakerij

Hobby groeit uit tot ambachtelijke hoedenmakerij

Mirjam is vier jaar als ze voor het eerst met haar ouders meegaat naar de kerk. Ze leert daardoor al op jonge leeftijd dat het heel gewoon is om een hoofddeksel te dragen. Het is een verplicht onderdeel voor kerkgangers. “Hoeden dragen is voor mij heel normaal. Ik ben kerkelijk opgevoed, dus we gingen op zondag naar de kerk. En dan had je een hoed of petje op. Wel leuk, maar ook verplicht.” Pas vele jaren later ontdekt ze haar voorliefde voor handgemaakte hoeden en maakt ze er deels haar beroep van.

Keurslijf van de juf
Van jongs af aan heeft Mirjam maar één droom: juf worden! “Ik wilde altijd al juf worden. Dat stond gewoon vast. Ik heb ook nooit over iets anders nagedacht. Ik kwam op de Pabo, was daar zo’n drie maanden en dacht: nou, dit wordt ‘m niet.“ Haar stage valt tegen. Mirjam komt in het keurslijf van de juf terecht en het lijkt alsof ze haar eigen identiteit kwijtraakt. “Na een half jaar ben ik gestopt. Het was eigenlijk niets voor mij om zomaar te stoppen. Dat had ik nooit verwacht.”

Buschauffeur of toch wat anders?
Wat nu? Want Mirjam heeft tenslotte nooit aan iets anders gedacht dan het basisonderwijs. Het aanbod in studies is enorm. Mirjam vindt het lastig waar ze moet beginnen. “Je weet niet wat goed is, wat de mogelijkheden zijn en wat je ermee kan. Ik heb van alles bedacht: ook buschauffeur. Dat was iets van vroeger. Als ik een schoolreisje had, zat ik altijd voorin. Het leek me gigantisch gaaf om die bus te besturen.”

Soldaat
Uiteindelijk komt Mirjam bij Defensie uit. “Ik dacht: Defensie is het helemaal en wilde daar Psychologie gaan studeren. Maar dan moest ik éérst van onderaf aan starten en de opleiding voor soldaat doen. Dat duurde me te lang.” Mirjam besluit de reguliere opleiding Toegepaste Psychologie te volgen en rondt haar studie achter elkaar af. Ze komt als matchmaker bij een gemeentelijke organisatie terecht en heeft het tot op de dag van vandaag erg naar haar zin.

Lelijke paarse hoed
Sterk aangewakkerd door haar moeder, die hobbymatig workshops verzorgt op het gebied van hoeden maken, groeit bij Mirjam ondertussen haar liefde voor hoeden. “Ik was nog heel jong en dacht: Hé, dat vind ik ook leuk. Dus ik ging mijn moeder helpen. Ik ging het ook zelf proberen en weet nog dat ik dacht: later wil ik een hoedenwinkeltje.” Rond haar 15e maakt Mirjam, met hulp van haar moeder, d’r eerste hoed en is reuzetrots. “Die had ik ook op in de kerk. Als ik er nu over nadenk, was ie heel lelijk. Hij was paars, terwijl ik nooit paars draag. Het was zo’n gleufhoed van vilt met een bobbelig randje eraan met een opgespoten witte bloem.” Als de opa van Mirjam overlijdt, maakt ze als verrassing voor haar moeder een zwarte hoed. “Mijn eerste hoed die ik echt helemaal alleen heb gemaakt.”

“Ik was 13 en dacht: later wil ik een eigen hoedenwinkeltje.”

hoedenmaakster

En toen was daar Beau Chapeau
Eenmaal getrouwd gaat Mirjam zelfstandig verder met hoeden maken. Ze richt in 2017 haar eigen bedrijf Hoedenatelier Beau Chapeau op en is één van de jongste leden van de Nederlandse Hoedenvereniging. Hoedenatelier Beau Chapeau richt zich vooral op de klassiekere hoedendragers. Mensen die op zoek zijn naar een bijzondere hoed, die cachet geeft aan hun kleding. Of bijvoorbeeld modieuze bruidjes, die iets kleins op hun hoofd willen. De vele houten hoedenmallen in het atelier vormen de basis voor een hoed. De keuze uit modellen, kleuren en materialen is groot. Van een blauw geruit dopje met strik en veer, een zwarte vilthoed mét deuk natuurlijk tot een leren variant voor een stoere look. “Het zijn geen flaphoeden, die je op het strand draagt. Het gaat om een hoed, die je bij een outfit koopt. Het staat leuk. Het maakt je outfit compleet. Het maakt ‘t af.”

Signatuur
Wat is nou typisch een ‘Beau Chapeau’? “Het zit ‘m in de details. Wat ik vaak terug hoor is dat het nét iets anders is dan anders. Qua vormen, qua kleuren, qua opmaak. Mensen zeggen: dit is een andere collectie dan ik normaal gesproken gewend ben. Het is één en al handwerk. Het past echt op het hoofd, waarvoor je het maakt. Ik lever een product in dat kwaliteit heeft en uniek is. Ik maak nooit eenzelfde hoed. Er is overal maar één exemplaar van. Het is geen standaard fabrieksding, waar er honderd van gemaakt zijn.”

“Het past echt op het hoofd, waarvoor je het maakt.”

Straatbeeld
Koningin Máxima loopt altijd met de fraaiste hoeden op. Vaak een lust voor het oog. Ook kijkt iedereen reikhalzend uit naar Prinsjesdag, waarop Kamerleden traditiegetrouw met de opvallendste creaties op hun hoofd verschijnen. En toch is het in Nederland nog geen regulier straatbeeld. Hoe komt dat? “Als je mensen met een hoed op ziet, kijk je toch. Ja, ik kijk natuurlijk sowieso. Maar het blijft anders dan anders. Je ziet op dit moment wel veel gleufhoeden. En je ziet tijdens bruiloften ook steeds meer mensen die een hoed dragen. Dus het komt weer terug.”

Toekomstdroom
Mirjam combineert haar eigen hoedenatelier met haar werk bij de gemeente. Ze vindt beide banen leuk. Wat de toekomst haar brengt weet ze nog niet. “Pas zag ik een oud hoedenatelier met een winkeltje te koop staan. Toen dacht ik wel: Hé, als ik dit nu zou kopen, heb ik mijn droom verwezenlijkt om een hoedenwinkeltje te beginnen. Maar voorlopig is het gewoon doen en dan zien we wel wat het wordt. Ik had een jaar geleden ook niet kunnen bedenken, dat het zo’n ding zou worden!” #watisjouwverhaal Meer info: www.beauchapeau.nl.

[Noot van de Briljante Verhalenvanger]
Vlak na het interview vertelt Mirjam dat ze een collectie cocktailhoeden mag ontwerpen voor de cocktailcollectie van Victor van Westering van Victor’s Wedding Design. Deze bekende ontwerper maakt niet alleen de mooiste (bruids)jurken met de hand; ook ontwerpt hij kleding voor leden van de Tweede Kamer. Het zou dus zomaar kunnen dat we op Prinsjesdag een hoed van Beau Chapeau spotten. Wordt het niet eens hoog tijd dat de heren politici ook meedoen met deze hoedjesparade? Ik zie het al voor me: Mark Rutte met een klassieke donkergrijze gleufhoed. Een tikkeltje hilarisch. Zeker baanbrekend. En vooral van deze tijd.

[Foto Mirjam: Michel van Nederveen]


penseel

Van strijkstok naar penseel

Van strijkstok naar penseel

“Toen ik klein was, had leren niet mijn interesse. Ik was altijd aan het tekenen en musiceren.” Je kunt je er van alles bij voorstellen als je de Driebergse kunstenares Iris Duchateau tegen het lijf loopt. Een energieke persoonlijkheid en opvallende verschijning. Levendig, enthousiast en een tikkeltje excentriek. Niet in de laatste plaats vanwege haar opvallende gebloemde puntlaarzen.

Ik wil viool!
Iris stamt uit een muzikale en artistieke familie. Pa en ma zijn muzikaal, broer is jazzgitarist en zuslief een professioneel pianiste. “Ik kom uit een gezin met allemaal musici. Er stond altijd klassieke muziek op. Bandrepetities vonden bij ons thuis plaats. We woonden in het bos, dus alles kon qua lawaai.” Iris is rond de 7 jaar als er violisten over de vloer komen en ze haar eerste liefde ontdekt. “Ik zei tegen mijn ouders: ‘Dat instrument wil ik ook, ik wil viool!’ En toen kreeg ik mijn viool.” Als kind zit Iris al meer te tekenen dan viool te spelen. Toch treedt ze in de voetsporen van haar broer en zus en gaat naar het Conservatorium. Ze speelt in een strijkkwartet, geeft veel les en treedt regelmatig op met haar zus. “Het was een ongelofelijke leuke tijd. Ik tekende en schilderde erbij, maar heb nooit gedacht: ik ga die kant op.”

Groot schilderij
Jarenlang geeft Iris les op verschillende muziekscholen en heeft ze een eigen vioollespraktijk. Op een dag maakt ze een heel groot schilderij voor de woonkamer. Kennissen zijn zo enthousiast, dat ze het schilderij graag willen kopen. “Ik dacht: Ja maar, wacht even. Ik heb het voor mijn eigen woonkamer gemaakt. Daar ben ik helemaal niet mee bezig.” Ook mensen uit de straat, die een eigen interieurzaak hebben, zijn weg van het schilderij. Ze vragen aan Iris of ze voor hun winkel werk wil maken. “En toen dacht ik: als ik het wil, dan moet ik het ook goed doen.” Iris geeft zich op bij een Masterclass van Sam Drukker, een hele bekende schilder, en ontdekt daar het échte schilderen dat uiteindelijk haar grote liefde blijkt te zijn.

Het verhaal achter het portret
De overgang van muziek naar schilderen vindt op een natuurlijke wijze plaats. Iris haalt meer voldoening uit het schilderen dan de muziek en geleidelijk aan neemt de penseel het over van de strijkstok. Steeds meer galerieën vragen of Iris wil exposeren met haar landschapschilderijen. Daarnaast schildert ze veel portretten in opdracht. “Ik wil nooit zomaar een foto schilderen. Voor een fotorealistisch portret moet je niet bij mij zijn. Dat vind ik niet interessant. Ik wil het verhaal horen en met een portret een verhaal vertellen. Mensen komen daarom altijd eerst op gesprek. Dan weet ik wat meer van iemand. Zo was er een moeder die laatst in huilen uitbarstte toen ze, als verrassing, drie portretten van haar jongvolwassen kinderen kreeg. Ze had met één kind heel veel zorgen gehad en zei: ‘Ik zie het gewoon in het schilderij.’ Dat is wat ik wil laten zien.”

“Ik wil met een portret een verhaal vertellen.”

strijkstok

Flow
Iris schildert vrij impressionistisch en zoekt altijd naar iets wat haar raakt. “Ik kan alleen maar landschappen schilderen waar ik iets mee heb. Het moet mijn eigen plek, mijn eigen portret worden. Ik ben altijd op zoek naar iets wat mij daarin intrigeert, wat mij triggert. Je moet het voelen. Je moet ook vooral luisteren. Echt achter een verhaal komen. Daar ben ik telkens naar op zoek in m’n werk. Dat deed ik als violiste niet anders. Ik schilder ook altijd met muziek. Van alles en nog wat. Dat kan Ramses Shaffy zijn, een klassiek concert van Brahms. Of Stevie Wonder. Net hoe mijn stemming is. En afhankelijk van het schilderij. Soms zet ik de muziek zo hard aan dat ik het bijna niet verdraag, dan kom ik in een bepaalde flow.”

Eigenheid
Op diverse plekken Nederland exposeert Iris met haar schilderijen. “Ik werk altijd in ‘vlekken’. Het is niet egaal. Het is meer een karakter dat ik wil laten zien. Kijk, dit meisje heeft gewoon blauw in haar gezicht. Dat kan natuurlijk helemaal niet. Maar voor mijn gevoel was het blauw bij haar. Het is net als bij natuurschilderijen. Het gaat om een impressie, mijn verhaal van die plek. Het is heel fijn als dat gewaardeerd wordt. Mijn eigenheid is mijn kracht in m’n schilderijen. Ik hoop heel erg dat mensen dat herkennen. Dat ze zien: Hé, daar hangt een ‘Duchateau’. En dat gebeurt. Gisteren kreeg ik een mooi mailtje van iemand: ‘Je zoekt het licht. Het gaat voorbij het landschap. Het gaat voorbij het portret’.”

“Hé, daar hangt een ‘Duchateau’!”

De kracht van de streek
Iris blijft dus trouw aan haar eigen signatuur. ‘Duchateaux’ worden gekenmerkt door licht, kleur en krachtige streken. “Je vindt mijn werk mooi of niet mooi. Ik schilder vaak over dingen heen, omdat je dan een bepaalde ondergrond hebt. Al hoewel ik niet zo van de klodders ben. Je ziet wel mijn streken heel erg. Je ziet waar de streek gezet is. En daar blijft ie staan, de vlek blijft. Sommigen verwerken bijvoorbeeld zand in hun schilderij. Daar ben ik helemáál niet van. Het zit veel meer in het gebaar. Zeg maar ‘de kracht van de streek’. En ik denk dat ik dat als violiste hetzelfde had. Ook expressief in mijn spel. Stevig op de viool. Ik wil daarnaast graag iets kwetsbaars laten zien. Dat is het mooie van schilderen. En dat zit ook in muziek. Het staat niet zover van elkaar vandaan.”

Van Gogh is de naam
De betovergrootmoeder van Iris heet Van Gogh. Familie van? Iris blijft er nuchter onder. “Het is nooit bewezen dat het om familie gaat. Als het zo is dan is het ‘achter-achter-achter’. Ik heb er sterk mijn twijfels over.” Hoe dan ook, Iris is geboren voor het kunstenaarsvak. “Ik zou niets anders kunnen. Ik moet iets creatiefs doen, anders kan ik niet leven. Ik moet mezelf en mijn gevoel uiten. Ik kan mijn leven niet los zien van het tekenen en schilderen. Die drang is heel groot. Het zat er altijd in en het is er pas heel laat uitgekomen. Eigenlijk ben ik niet heel erg veranderd. Ik heb niet een hele switch gemaakt. Mensen uit de muziekwereld ervaren dat misschien zo. Maar mijn familie helemaal niet. En zo voelt het voor mij ook niet.” #watisjouwverhaal

Meer info: www.irisduchateau.nl