De dokter met de mooie schoenen

Een patiënte op leeftijd, een deftige dame de 80 ruimschoots gepasseerd, kijkt onderzoekend naar de weelderige bos krullen van haar vertrouwde arts. Ze wijst op een haarspeldje op het bureau en zegt: “Dokter, die haarspeld, is die van u?”

René van der Griend (56), internist-hematoloog bij het Diakonessenhuis in Utrecht, glimlacht als hij aan dat moment terugdenkt. Hij heeft een bijzondere band met zijn patiënten. Sporadisch deelt hij een anekdote. Over wat patiënten tegen hem zeggen. Over zijn krullen. Of over zijn schoenen. Want dat hun dokter een voorliefde heeft voor mooie schoenen, ontgaat ook zijn patiënten niet.

Hematologie draait om bloedziekten. Een specialisme dat deze bevlogen medisch specialist nooit lijkt te vervelen. “Geen dag is hetzelfde.”

Ogenschijnlijk heeft René een ‘loopbaan volgens de boekjes’. Je zoekt eerst een beroep uit. Dan volg je de bijbehorende studie en zoek je een baan. Voor de rest van je leven. Het lijkt simpel. Maar niets is minder waar. Voor René was het een lange weg. “Ik moest er hard voor werken. Zo slim ben ik niet. Daarom vind ik mijn verhaal ook niet zo bijzonder. Het enige wat ik te vertellen heb is dat je met hard werken ver komt.”

Jawel René, iedereen heeft een uniek verhaal. Dus jij ook. Even terug naar het begin. Wilde jij al van kinds af aan dokter worden?
“Niet per se. Doktertje spelen, nee, dat deed ik niet”, lacht René. Op een vervelende manier krijgt hij als klein jongetje met het ziekenhuis te maken als hij een hersenvliesontsteking oploopt. Zo’n acht weken ligt René in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Afgesloten van de buitenwereld vindt een langdurige opname plaats met diverse onderzoeken. Die wereld vol grote mensen met witte jassen maakt diepe indruk op René. Jarenlang moet hij voor controle terugkomen bij de fameuze dokter Stoop. “Achter op de fiets bij mijn moeder gingen we op de terugweg altijd langs het bakkertje aan de Lange Nieuwstraat. Dan kreeg ik een puddingbroodje. Als cadeautje. Een pleister op de wonde.”

Heeft deze ziekenhuiservaring mede bijgedragen aan jouw beroepskeuze?
“Dat moet haast wel. Ik kan me er nog veel van herinneren. Heel veel zelfs. Het was een vervelende wereld vol onzekerheid. De onderzoeken waren niet leuk. Een naar maagonderzoek met pap of een hersenonderzoek met lijm op m’n hoofd gesmeerd voor alle elektrodes. Die vele prikken. Altijd na het bezoek aan de arts. Bloed prikken aan het einde van de gang in het kamertje links. Ik kan die gang dromen.”

Wat is jouw eerste herinnering aan je carrière?
“Colleges volgen in die klassieke grote zalen. Dat was spannend. Er ging een hele nieuwe wereld voor me open. Een wereld die ik helemaal niet kende. Ik kwam niet uit een doktersfamilie. Alleen er naartoe als enige van mijn middelbare schoolklas. Enge dingen zien. Moeilijke dingen. De manier van studeren die ik niet beheerste. Het eerste jaar in de snijzaal. Voor de eerste keer bloedprikken.”

“Er ging een hele nieuwe wereld voor me open”

Hoe is dat in zo’n snijzaal de eerste keer als 18-jarig broekie?
“Niet leuk. Eng. Je ziet tientallen lijken liggen en daar moet je voor het eerst in snijden met je gloednieuwe snijsetje. Interessant natuurlijk, maar ook doodeng. Zoveel overleden mensen had ik nou ook weer niet gezien. Als je er letterlijk aan moet zitten en er de hele dag mee bezig bent … die formalinegeur. Dat is iets wat je niet vergeet. Voor de rest van je leven.”

Heb je wel eens gedacht: ik stop ermee?
“Jazeker! In het eerste jaar. Ik kreeg met kerst de vraag: moet jij wel doorgaan? Ik had voor het eerst in mijn leven een paar onvoldoendes. Daarmee aangevend dat ik de techniek van studeren moest aanpassen eigenlijk. Ik kon het wel. Althans, dat heb ik later geleerd.”

Wat heeft je over de streep getrokken om toch door te gaan?
“Tja, ergens je tanden inzetten en niet opgeven. Dat past wel bij me, denk ik.”

Is dat een rode draad in je loopbaan?
“Ik vind dat je dingen moet afmaken, ja. Dat heb ik van huis uit meegekregen.”

René leert in zijn studententijd om hard te werken en niet te mopperen. Werkweken van 80 tot 100 uur zijn vanzelfsprekend. “In mijn eerste dienst als art-assistent ging ik vrijdag het ziekenhuis in en kwam ik er maandagavond uit. Ik at, dronk en sliep in het ziekenhuis. Dan werd ik niet afgelost na 8 uur. Dat mag nu wettelijk niet meer.” René promoveert ook nog eens tijdens zijn opleiding tot internist. “Zo’n dubbele baan is voor niemand goed.”

Vroeger noemden ze de dokter één van de notabelen van het dorp. Hoe zie jij dat?
“Ik ben niet een belangrijk mens. Maar mijn vak is wel belangrijk. Want we krijgen allemaal met de dokter te maken. Dus uiteindelijk heb je daar ook ontzag voor. En hoop je dat die dokter iets bijzonders kan. Niet als een tovenaar, maar wel met zijn medicatie of ingreep. Als patiënt ben je er zo ontzettend van afhankelijk. Je wordt nog belangrijker als dokter, naarmate je het goed invult denk ik. Met goede gepaste aandacht en uitleg. Dokters kunnen allemaal dezelfde pil of hetzelfde infuus geven. Simpel gezegd: het protocol volgen met hetzelfde resultaat. En tenslotte draait het ook om het inzetten van de juiste kennis en kunde. Maar de persoonlijke wijze van begeleiding maakt het verschil voor de manier waarop de patiënt het allemaal doorstaat.”

“Wat heeft u mooie schoenen, dokter. U lijkt de minister wel.”

Zie jij je werk als een missie?
“Nee, ik zou deze gedrevenheid ook voor een ander vak kunnen hebben als ik dat leuk zou vinden. Het is een drijfveer, géén missie.”

Klappen voor zorgprofessionals vindt René ‘onzin’. “Ik vind het fijn als mensen ‘dank je wel’ zeggen, omdat het goed gegaan is of als ze blij zijn met de begeleiding. Maar dat applaus slaat nergens op, ik ben geen koning.”

Een dame (92) geeft, na jarenlange behandelingen, aan dat ze naar het Hospice wil. Ze zit in een rolstoel vlak bij haar dokter, pakt zijn arm stevig vast en zegt: “Ik ben u erg dankbaar.” Direct gevolgd door: “Heeft u nog nieuwe schoenen?”

Wat heeft de meeste indruk op jou gemaakt in je carrière tot nu toe?
“Dat weet ik niet. Er zijn zoveel gebeurtenissen die uniek waren. Je moet heel erg creatief zijn, oplossend en stressbestendig. Je hebt zoveel momenten dat je het even niet weet of even niet onder controle hebt, ook al merkt de patiënt daar zelf niets van. Het is best een onzeker vak. Zeker in het begin van je carrière tijdens avond- en nachtdiensten.”

Hoe deal je daarmee met die onzekerheid?
“Tja, doorpakken. Iedere dag is er een waar je beter van wordt en slimmer. Ik heb in ontelbare kamers, zalen, eerste hulpen en op verschillende plekken gekke dingen meegemaakt. Je hebt uiteraard wel een relevante hoeveelheid basiskennis. Niets gekker dan de mens. Bijna iedere dag zijn er wel situaties waarin mensen anders reageren dan je denkt.”

Een Amerikaanse vrouw komt met haar zieke zoon binnen en voert op een wat kritische toon het gesprek. Dan ziet ze ineens de schoenen van haar dokter en zegt verrukt: “OMG, your shoes. Amazing!”

Even later komt René terug op het meest indrukwekkende in zijn doktersbestaan tot nu toe. “Misschien de euthanasieën, die zijn uiteraard wel heel bijzonder.” Hij vertelt hoe deze momenten hem persoonlijk raken. En hoe hij er op afstand klinisch naar kijkt om zijn vak toewerkend naar dat ene cruciale moment goed te kunnen uitoefenen. “Ik probeer patiënten ook te vergeten als ik naar huis ga. Dat moet. Anders kan ik dit werk niet doen en heeft het thuisfront helemaal niets aan me.”

Je maakt lange intensieve werkweken en moet altijd op scherp staan. Hoe houd je zoiets vol?
“Je moet een beetje geluk hebben. Het thuisfront moet kloppen, gezond blijven enzovoorts. En een ontzettende drive om een stapje harder te lopen. Als je dat niet kan, tja … Je moet het ook leuk vinden. Als je dat niet hebt, ga je stoppen of wil je minder werken. Maar dat geldt toch voor ieder vak?”

“Kijk dokter, ik heb óók mooie schoenen.” Een vrouw van midden 60 slingert haar benen in de lucht en toont trots haar schoenen.

Waarom hematologie eigenlijk?
“Ik ben geen ‘snijder’, hoe mooi dat vak ook is. Dan houd je de puzzelaar over. Het mooie aan hematologie is dat je het allemaal zelf kunt onderzoeken. Je doet bijvoorbeeld zelf een beenmergpunctie, bekijkt erna het materiaal onder de microscoop, stelt een diagnose en maakt een plan.” De voormalige opleider van René – zijn ‘medische vader‘ Otger Meuwissen – zei ooit: ‘Ons vakgebied betreft vaak aardige mensen’. “Ik kan dat niet wetenschappelijk bewijzen, denk ik, maar wat hij bedoelde te zeggen klopt wel, ik heb heel veel aardige patiënten in mijn loopbaan ontmoet.”

Hematologie omvat voor 80 à 90% kwaadaardige diagnoses. De behandelresultaten zijn gelukkig vaak goed. “Patiënten met bijvoorbeeld Hodgkin lymfeklierkanker kun je bijna allemaal genezen. We gaan voor goud, zeg ik dan. Dat is héél fijn. Het is veel minder somber dan het oncologisch vak.”

René vertelt dat het binnen zijn werk om teamwork draait. Van ondersteunende specialisten vanuit bijvoorbeeld het laboratorium en beeldvorming tot aan de verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten en secretaresses. Elke rol is even belangrijk.

“Ik mag misschien wel aan het roer staan, maar het blijft teamwork”

Wat vind jij nog meer mooi aan ‘dokter zijn’?
“Het gaat er niet alleen om een goede dokter te zijn, maar ook een dokter waar je als patiënt alles aan toevertrouwt. Ik sta bijna intiem dichtbij mensen en hun directe naasten. Stuk voor stuk mensen in een hele kwetsbare situatie. Dat ik ze daarin kan en mag helpen, maakt het heel bijzonder en dankbaar. Wij gaan u helpen, zeg ik vaak. Mensen zijn heel verschillend in hun achtergrond en karakters, dat maakt het ook leuk. Ik begeleid mensen vaak lang. Omdat bepaalde ziektes lange tijd niet behandeld hoeven worden, duurt zo’n traject echt vele jaren.”

Een nieuwe patiënte die voor de uitslag van een beenmergpunctie komt: “Volgens mijn buurvrouw bent u een aardige dokter en moet ik naar uw schoenen kijken.”

Even oneerbiedig gezegd: jij kent eigenlijk maar één kunstje. Verveelt dat nooit?
“Nee! Ik heb onlangs nog een 3-daagse nascholing gevolgd over nieuwe ontwikkelingen bij slechts één bepaalde subgroep van bloedziekte. Het vak is zo interessant, omdat de wetenschappelijke kennis zich enorm ontwikkelt. Dezelfde diagnose is bij iedereen net weer anders. Niet iedere ziekte uit zich op dezelfde manier bij verschillende patiënten. Dat maakt het gevarieerd. Het is daarnaast de indrukwekkende ontwikkeling van het vak met toenemend meer genezingskansen voor mijn patiënten, dat het zo afwisselend én mooi maakt. Ik beoefen bepaald niet het vak van 20 jaar geleden.”

Vanwege de corona vindt het consult telefonisch plaats. De patiënte bedankt haar dokter uitvoerig voor zijn hulp. “Nu kan ik alleen uw schoenen niet zien”, zegt ze teleurgesteld. De dokter antwoordt: “Binnenkort kunnen we beeldbellen, mevrouw.”

Als je opnieuw voor de studiekeuze zou staan als 18-jarige?
“Dan zou ik ab-so-luut voor hetzelfde beroep kiezen. Ik zou niet weten wat ik anders zou moeten doen.”

Dochterlief treedt in de voetsporen van haar vader (‘haar grote voorbeeld’). Ze studeert voor arts-onderzoeker en vertelt René dat ze met zichzelf de deal heeft gesloten om cum laude af te studeren. Zijn reactie is veelzeggend: “Prachtig doel, maar word vooral ook een warme goede betrokken dokter!” #watisjouwverhaal

[Foto René homepage: www.roosdehaan.nl]